behorend bij het Voorlopig Ontwerp - maart 2005
1 Inleiding
1.1 Uitgangspunten van de vereniging Ecologisch Centraal Wonen Driebergen
1.2 Verantwoording
1.3 Ligging van het plangebied
2 Het plangebied: de huidige situatie
2.1 De historie van het gebied
2.2 Het landschap in historisch perspectief
2.3 Het terrein: de landschappelijke waarde in de huidige situatie
2.4 Het gebied: de ecologische waarde in de huidige situatie
3 Beheer gericht op behoud, herstel en bevordering van waardevolle natuurelementen
4 Voorgenomen inrichting van het gebied en ecologische ambities
5 Bijzondere voorzieningen tijdens de bouw
Bijlage A Kaart van het plangebied
Bijlage B Verdeling van het plangebied op de kaart
Bijlage C Inventarisatie flora en fauna (huidige situatie)
In mei 1999 nam een aantal enthousiaste inwoners van Driebergen, die binnen de huidige woonvormen niet vonden wat ze zochten, het initiatief voor Ecologisch Centraal Wonen Driebergen (ECWD). De vereniging ECWD heeft als doelstelling ecologisch en centraal wonen in Driebergen mogelijk te maken.
Het doel van de vereniging kwam een stuk dichterbij toen in januari 2003 een perceel grond kon worden aangekocht aan de Drieklinken in Driebergen. Deze grond, deel van een voormalig kloosterterrein van de zusters Ursulinen, is niet zomaar een bouwterrein, maar een ecologisch waardevol, zij het verwaarloosd, parkbos.
Het eigendom van deze grond brengt vanwege de ecologische waarden een grote verantwoordelijkheid met zich mee. Het terrein dient niet alleen te worden ingericht, maar ook is herstel en beheer van de natuurwaarden in het terrein noodzakelijk.
ECWD heeft zich daarom vanaf het begin laten informeren door verschillende deskundigen, waaronder ecologen, landschapsarchitecten en bosbeheerders. Elke deskundige heeft eigen ideeën over de voorwaarden waaraan ontwikkeling van het terrein zou moeten voldoen en al gauw ontstond de behoefte bij ECWD om een eigen visie te formuleren.
De nu volgende tekst, het resultaat van vele overwegingen, discussies en uren werk, geeft de ideeën en voornemens weer die ECWD heeft ten aanzien van het terrein. Na een inleiding over de ligging en achtergronden van het gebied, volgen de voorgenomen plannen en maatregelen die, naar wij hopen, leiden tot een omgeving waarin zowel mens, dier als plant optimaal zal kunnen gedijen.
Een belangrijk uitgangspunt van ECWD is, dat wij een omgeving willen creëren waarin geleefd en gewoond kan worden vanuit respect voor ieder individu en voor het milieu. Daarbij hoort, dat wij een landschap willen behouden of creëren dat aansluit op haar omgeving en waarin de bebouwing is geïntegreerd. Het ecologische dat we in onze naam voeren heeft niet alleen betrekking op de natuur, maar vatten wij breder op en omvat ook het milieu en onze sociale context. Zo moet de bouw levendig zijn, een eenheid uitdrukken en geïnspireerd zijn door een organische bouwstijl, zodat er een veilige omgeving ontstaat waarin mensen zich thuis kunnen voelen. Dit omvat ook het scheppen van een gezond leefklimaat, dat kan worden versterkt door het groen en door het gebruik van duurzame bouwmaterialen, schone energie en waterbesparende installaties.
Wij voelen ons verbonden met de natuur en ook verplicht aan de natuur. Dit betekent in ons geval, dat wij beheer niet ervaren als een last, maar als onze bijdrage aan de ontwikkeling van natuur en milieu. Vanuit de overtuiging dat de natuur geen statisch monument is, maar gezien moet worden als iets levends - dat zich voortdurend ontwikkelt - zien wij beheer als het scheppen van condities om de natuur niet alleen kansen te bieden tot overleving, maar ook tot ontwikkeling.
Bij het ontwikkelen van deze gebiedsvisie baseren wij ons hoofdzakelijk op de volgende onderzoeksverslagen en -rapportages:
Wij zijn ons bewust van de beperkingen die formeel zijn opgelegd door de landelijke, provinciale en gemeentelijke overheid (de Boswet, Flora- en Faunawet, de Bomenverordening e.d.).
Bij het uitwerken van de plannen is de ontwikkeling en versterking van de ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarde van het terrein ons uitgangspunt.
Het plangebied ligt aan de zuidwestzijde van de kern van de gemeente Driebergen-Rijsenburg ten zuiden van de Hoofdstraat en wordt aan de westzijde begrensd door de begraafplaats, in het noorden door de Drieklinken, in het oosten door bebouwing en tuinen langs het Jagerspad en in het zuiden door de bebouwing en het park van Valentijn.
Het plangebied betreft een deel van het terrein dat ook wel de Geheime Tuin wordt genoemd of het terrein van het Ursulinenklooster. Het andere deel is niet in het bezit van de vereniging.
Voor een weergave van het plangebied verwijzen wij naar de bijgevoegde kaart in bijlage A.
Tot het einde van de 18e eeuw was het gebied onderdeel van de Heerlijkheid Rijsenburg. Hierna kwam het gebied in handen van Van Oosthuyse, die aan het begin van de 19e eeuw op de kruising van de huidige Hoofdstraat en Rijsenburgselaan het dorp Rijsenburg stichtte. Rond het midden van de 19e eeuw werd op de hoek van de Drieklinken en de huidige Rijsenburgselaan de 'Witte Villa' gebouwd en in 1870 werd de katholieke begraafplaats aangelegd. Achter de Witte Villa werd in 1898 het klooster gebouwd. In 1906 werd in het weidegebied achter het klooster de villa Valentijn, die georiënteerd is op de Rijsenburgselaan, neergezet. Rondom deze villa is omstreeks 1915 een park in Engelse landschapsstijl aangelegd dat zowel het klooster als de begraafplaats omringde. Omstreeks 1950 werd de gehele buitenplaats Valentijn toegevoegd aan het kloosterterrein. In de jaren zestig van de vorige eeuw werd het kloostercomplex uitgebreid, werd er tevens een nieuwe kapel gebouwd en werd de huidige siertuin aangelegd. De Drieklinken, tot dan toe een onverharde achterstraat, werd verhard en ten zuidoosten van het gebied werd begonnen met de bouw van de Wildbaan. In de jaren zeventig werd de buitenplaats Valentijn opgesplitst. De villa kreeg een functie als sociaal dienstencentrum en op het terrein werden seniorenwoningen gerealiseerd. Het bos en de tuin maken nog steeds deel uit van het kloosterterrein.
In het terrein zijn nog duidelijk de sporen van een historische tuinaanleg uit de eerste helft van de 20e eeuw aanwezig:
De gebruikelijke oriëntatie van een buitenplaats, met de voorzijde op 'de wereld' (de Hoofdstraat), ontbreekt in het geval van Valentijn. Deze mist ook de fysieke verbinding met de bossen van de Utrechtse Heuvelrug omdat zij ten zuiden van de Hoofdstraat ligt. Dit 'gemis' is goedgemaakt door aan de noordrand (Drieklinken) een heuvelrug in het klein te ontwerpen, compleet met stuifduinen, dennenbos en een spreng. Aldus kan het landschap van het plangebied worden begrepen als een gestileerd landschapsbeeld van de Heuvelrug. Dit fenomeen is in de huidige inrichting nog duidelijk terug te vinden. De cultuurhistorische waarde kan als betrekkelijk worden gezien en beschouwd worden als restant van de tuinaanleg van nog geen 100 jaar geleden. De landschappelijke compositie echter moet als bijzonder worden erkend binnen de context van voorbeelden van buitenplaatsen van de Utrechtse Heuvelrug.
Het plangebied (ca 1,17 ha - zie bijlage B) bestaat uit 3 elementen:
Het bos langs de Drieklinken heeft het karakter van een wintereiken- en beukenbos met grove dennen en is vermoedelijk zo'n 50 jaar oud. De restanten van een ligusterheg zijn zichtbaar op de grens, met daarvoor een jongere sparrenaanplant. Er zijn verdiept aangelegde paden tussen kunstmatige 'stuifduinen' met hiertussen een vijver in gebogen vorm. Dit bos ademt nog steeds de sfeer van de Heuvelrug met een spreng, maar ondanks zijn romantische charme heeft het bos ook een verlaten en trieste sfeer, doordat door ontbrekend onderhoud het verval duidelijk zichtbaar is. Licht ontbreekt, waardoor de verscheidenheid in de vegetatie is verdwenen.
De voormalige moestuin wordt begrensd door de oude moestuinmuur. Door aanplant van bomen en snelgroeiende heesters heeft de plek inmiddels een bosachtig karakter gekregen, hoewel er maar weinig echt oude bomen staan. De oudere bosstrook aan de zuidzijde met grote zwarte dennen heeft een treurige, verlaten en onverzorgde sfeer.
Het parkgedeelte met de slingervijver heeft niet aan aantrekkelijkheid ingeboet, ook al is zij net zo verwaarloosd als de rest van het terrein. Boompartijen en bodembedekkende begroeiing versterken het parkachtige karakter. Aanwezig hekwerk verstoort de landschappelijke relatie van het plangebied met de omgeving.
In het algemeen kan de huidige waarde van het gebied voor een belangrijk deel worden toegeschreven aan de grote variatie ten gevolge van de verschillende elementen die in het totale gebied voorkomen, zoals de begraafplaats, de kloostertuin en het parkbos, en waarvan ook het ECWD-terrein onderdeel is. Deze verschillende ecotopen versterken elkaar, waardoor er een grote soortenrijkdom in het gebied bestaat.
Het gebied ligt ingeklemd tussen de Utrechtse Heuvelrug, die van essentiële betekenis is voor de droge organismen en het Weteringlandschap (het drassige poldergebied), dat van belang is voor de natte organismen. Hierdoor maakt het gebied deel uit van de ecologische verbindingszone tussen de hoge zandgronden en het lage weidegebied. Met name de boomkruinen van het bosbestand vervullen een belangrijke rol in deze corridorfunctie.
Het gebied zelf is rijk aan reliëf en ondanks de hoge ligging zijn er plasjes en watergangen. Hierdoor wordt het gebied van potentiële waarde als stepping stone in het contact tussen Heuvelrug en Weteringgebied.
De waarde van het gebied komt meer tot uiting in de grote soortenrijkdom en de compleetheid van de levensgemeenschap dan in de aanwezigheid van bijzondere soorten of belangrijke populaties. Een beknopte inventarisatie is in bijlage C weergegeven. Voor een uitvoerige inventarisatie wordt verwezen naar het Ecologisch onderzoek De Geheime Tuin, 2003 en Aanvullend Onderzoek De Geheime Tuin, 2004 van H. van den Bijtel.
Belangrijke populaties van bedreigde of kwetsbare soorten komen niet voor in het gebied. Wel zijn er twee Rode-lijstsoorten (de poelkikker en de hazelworm) waargenomen. Hierbij gaat het echter niet om grote, levensvatbare populaties. Het eventueel verdwijnen van een deelpopulatie vormt geen bedreiging voor het voortbestaan van de soort in de regio.
De vleermuizen die zijn waargenomen in het gebied zijn beschermd volgens de Habitatrichtlijn, net als alle vleermuizen in Nederland. Van de waargenomen soorten staat alleen de grijze grootoorvleermuis als gevoelig op de Rode Lijst. Omdat het onderscheid met een gewone grootoorvleermuis lastig is, is het echter niet geheel zeker dat de grijze grootoorvleermuis daadwerkelijk in het gebied voorkomt.
Het uitgangspunt voor de inrichting van het plangebied vormt ons voornemen de kwaliteit van het gebied, gegeven het feit dat er gebouwd en gewoond gaat worden, zoveel mogelijk veilig te stellen en te ontwikkelen. Door het uitvoeren van (achterstallig) onderhoud zal het bos zich kunnen ontwikkelen en zal herstel van cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische waarden plaatsvinden.
Daarmee willen wij ervoor zorgen, dat het gebied een stepping stone kan blijven tussen het weidelandschap van het Weteringgebied en de bossen van de Utrechtse Heuvelrug.
In algemene zin zullen wij ons richten op het opsporen van verrassende potenties in en van het terrein en op optimale benutting daarvan. Hierdoor blijven voor vogels, kleine zoogdieren en insecten geschikte voortplantingslocaties, voldoende voedsel, rust en mogelijkheden om dekking te zoeken in het gebied aanwezig.
Wij zijn ons ervan bewust, dat de volgende aspecten van belang zijn voor een gevarieerde vogelstand:
Bij beheer en herstel wordt er gestreefd naar:
Het bovenstaande betekent concreet:
Hoe de kwaliteit van de verschillende gebiedsdelen door planmatig onderhoud en ontwerpend beheer wordt hersteld, zal in detail worden uitgewerkt en beschreven in een beheerplan. Hierin komen onder andere dunning van het kronendek, het vrijstellen van bijzondere bomen, herstel en onderhoud van de sprengoevers en de taxushaag aan de orde.
Bebouwing en bewoning van het terrein heeft tot positief gevolg dat de (toekomstige) bewoners zorg dragen voor het herstel en onderhoud van het terrein. De negatieve effecten van bebouwing en bewoning worden zoveel mogelijk beperkt door bij de inrichting te kiezen voor duurzame en ecologische alternatieven. Concreet betekent dit het volgende:
In het voorgaande is een groot aantal voornemens vermeld, die bij een consequente aanpak hun uitwerking op de ecologie van het plangebied niet zullen missen. Om de kans op succes zo groot mogelijk te maken zullen deze voornemens samen met het noodzakelijke onderhoud nader worden uitgewerkt in een beheerplan. Daarin worden de concrete maatregelen per gebiedsdeel uitgewerkt. Niet alleen zal daarbij rekening gehouden worden met de eerder genoemde aspecten, maar ook met de vernieuwde ruimtelijke opbouw, de landschappelijke opbouw en de ecologische betekenis van de delen en het gehele gebied. Deskundigen uit diverse disciplines worden hiertoe geraadpleegd.
Genoemde omvangrijke herstel-, beheer- en inrichtingswerkzaamheden zullen plaatsvinden zodra de bouw is gerealiseerd en de bewoners de samenhang en uitvoerbaarheid van de diverse werkzaamheden kunnen ervaren.
Tijdens de bouw proberen we de ecologische schade te beperken. Concreet worden tenminste de volgende maatregelen genomen:


Het onderstaande is een uittreksel uit de inventarisatie, opgenomen in het Ecologisch onderzoek De Geheime Tuin uit 2003 en het Aanvullend Ecologisch Onderzoek uit 2004, beide geschreven door H. van den Bijtel. De eerste inventarisatie heeft betrekking op het gehele terrein van de zusters Ursulinen, zoals in De Geheime Tuin beschreven. Het plangebied van ECWD is daarvan een onderdeel. Het tweede heeft alleen betrekking op het terrein van ECWD.
In het gebied komt een aantal stinzenplanten voor: wilde hyacint (Scilla non-scripta), die hier en daar de gehele bodem bedekt, donkere ooievaarsbek, breed longkruid, kleine maagdenpalm, maarts viooltje, sterhyacint, daslook, kleine sneeuwroem, grote sneeuwroem, boerenkrokus en het sneeuwklokje.
Oud-bosplanten die genoemd kunnen worden, zijn de adelaarsvaren, bosanemoon, het bleeksporig bosviooltje, het lelietje-der-dalen en de gewone salomonszegel.
Hier gaat het om monumentale en/of bijzondere (uitheemse) bomen, die beeldbepalend zijn en/of deel uitgemaakt hebben van de parkaanleg van het terrein. Dit betreft de beuken en eiken rond de begraafplaats, voor zover die tot het grondgebied behoren. Daarnaast de oude taxus aan de zuidzijde van het bos en de oude taxushaag langs het bos op de grens met de begraafplaats. De boomhazelaar en de moerascipressen bij de zuidelijke slingervijver. De hickory's die in het bos staan. Enkele zeer grote hulststruiken (de term bomen is hier beter op zijn plaats), de oude grove dennen en de grote zwarte dennen aan de zuidzijde van het terrein, bekend als de uilenroestplaats. Tenslotte de (oude) hazelaars, die als hakhout geëxploiteerd geweest zijn en waarvan sommige indrukwekkende stoven hebben.
De volgende soorten zoogdieren zijn gesignaleerd in het gehele gebied van de voormalige tuin van de zusters Ursulinen en de begraafplaats: egel, bosspitsmuis, huisspitsmuis, mol, watervleermuis, twee soorten dwergvleermuizen, laatvlieger, mogelijk twee soorten grootoorvleermuizen, bunzing, eekhoorn, rosse vleermuis, rosse woelmuis, aardmuis, veldmuis en bosmuis. Dit betreffen soorten die in de regio betrekkelijk algemeen voorkomen.
Voor alle genoemde soorten vleermuizen geldt dat De Geheime Tuin een frequent gebruikt jachtgebied is. In het te bebouwen deel van het onderzoeksgebied komen echter geen oude holle bomen of bouwwerken voor die voor vleermuizen dienst kunnen doen als vaste verblijfplaats.
De grote soortenrijkdom van broedvogels en de hoge dichtheden waarin veel soorten voorkomen zijn een gevolg van de gevarieerde inrichting van het totale gebied van de voormalige tuin van de zusters Ursulinen en de begraafplaats.
In het gebied werden enkele meer kritische vogelsoorten van oud bos gesignaleerd, zoals de holenduif, bosuil, kleine bonte specht en de boomklever. Daarnaast komen soorten voor, die gebonden zijn aan naaldhout, en waarvoor het gebied de meest zuidwestelijke voorpost van het Heuvelrugareaal is (de goudhaan, vuurgoudhaan, kuifmees en zwarte mees) en soorten van structuurrijke loofbossen (de grote lijster, de tjiftjaf en de appelvink).
Het bos is door de dichte begroeiing met veel, altijd groene bomen en struiken ook voor andere vogelsoorten in het winterhalfjaar van belang als slaapplaats: vinkachtigen (vink, keep, sijs) en lijsters (kramsvogels en koperwieken). Dit geldt eveneens voor de drie tot zes buizerds die hier gedurende de wintermaanden overnachten.
Er is één hazelworm gesignaleerd. Deze staat als kwetsbaar op de Rode Lijst, maar van een populatie zal geen sprake zijn, omdat het gebied daarvoor te klein is.
Er zijn in het gebied vier soorten amfibieën vastgesteld, te weten: kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker, poelkikker. De poelkikker staat op de Rode Lijst als kwetsbaar genoemd, en is mogelijk een deelpopulatie van de veel grotere populatie in het Langbroeker-Weteringgebied.
Tien vlindersoorten zijn in het gebied waargenomen. Al deze soorten zijn in de regio relatief talrijk. Ook de meeste aangetroffen (twaalf) soorten waterjuffers en libellen komen in de regio algemeen voor. Alleen de tangpantserjuffer heeft een nogal verbrokkelde verspreiding, maar deze soort plant zich vrijwel zeker niet voort in de Geheime Tuin. De vuurwaterjuffer en mogelijk ook de azuurwaterjuffer planten zich wel in de vijvers in het gebied voort.
Van de zes waargenomen soorten krekels en sprinkhanen is de boskrekel het meest kritisch wat betreft zijn habitatkeuze. Landelijk bezien heeft deze soort een vrij beperkte verspreiding, maar op de Utrechtse Heuvelrug en aangrenzende gebieden komt hij vrij algemeen voor, net als de andere aangetroffen soorten.